
“
Hij komt gehaast binnen bij Sococo aan het Weena. Cappuccino, croissantje, laptop in de tas. Vlak daarvoor bracht hij zijn dochter naar de opvang. Straks wacht de Fenix II op Katendrecht, de oude loods die net is getransformeerd tot migratiemuseum en culturele ontmoetingsplek. De opening is over een paar dagen. De druk? Die lijkt hij niet te voelen. Rajiv Bhagwanbali straalt rust uit. Maar zijn blik is scherp.
Rajiv – door velen liefkozend ‘Jiv’ of zelfs ‘Jiv the Chief’ genoemd – groeide op in Delfshaven, in een traditioneel Hindoestaans gezin. Zijn vader was pandit – een gerespecteerd priester. Tot zijn twaalfde dacht Rajiv dat hij dat ook zou worden. “Ik verslond de geschriften”, zegt hij tussen twee happen door. “Verbondenheid, gelijkwaardigheid… prachtige waarden. Maar buiten de tempel zag ik daar weinig van terug.” Thuis was het: word dokter. Dansen? Ongepast. Andere culturen? Liever niet.
Toch kiest hij voor zichzelf. Voor dans, voor alles wat niet in het plaatje past. “Op de dansvloer verdween het onderscheid. Het ging niet om waar je vandaan kwam. Het ging om energie. Voel je de muziek? Heb je het naar je zin? Ben je een beetje lief?” Hij leunt achterover. “Ik snap niet dat je kunt bidden tot een god die blauw is en tegelijk racistisch bent naar zwarte mensen.”
In het HipHopHuis traint hij onder Lloyd Marengo. Rajiv specialiseert zich in popping, een stijl binnen de hiphopdans. Met zijn crew haalt hij de finale van Holland’s Got Talent, tekent bij Sony, reist naar New York en Kopenhagen. Maar het is een jaar in Senegal dat alles op zijn kop zet.
Op aanraden van choreograaf en artistiek leider Nita Liem van Don’t Hit Mama vertrekt hij naar het dorp Toubab Dialaw. Daar traint hij aan de Ecole des Sables, een internationale dansschool voor Afrikaanse dans. Daar wordt hij niet alleen beter, maar ook gezien. “Ze zeiden: jij hoort hier. Jij ziet dingen in mensen voordat zij het zelf zien. Jij maakt ruimte.” Tijdens een dorpsvergadering wordt hij benoemd tot vertegenwoordiger van de gemeenschap. Sindsdien gaat hij ook in Rotterdam door het leven als ‘Jiv the Chief’.
Eenmaal terug verandert zijn koers. Niet meer zelf in de spotlights, maar ruimte maken voor anderen. Hij richt stichting Connecting the Culture op en start communityprojecten waarin dans, beeldende kunst, mode en muziek samenkomen met sociale thema’s. “We deden mee aan het zomercarnaval met zestig dansers van allerlei achtergronden. Verschillende stijlen, verschillende verhalen. We vielen in de prijzen. En ik kon iedereen uitbetalen. Dat vond ik misschien nog wel het mooiste.” Zijn kracht: werelden verbinden. Van spoken word tot sport, van graffiti tot mode. Niet gek dus dat Rotterdam Festivals hem benadert als artistiek leider van de Rotterdam Street Culture Week. Eerst twijfelt hij. Inmiddels is de zevende editie in voorbereiding.
“Streetculture hoort bij de stad”, stelt Rajiv vol overtuiging. “Het is alles wat van de straat komt: graffiti, dans, beats, spoken word, skaten, freerunning, fashion. Niet alleen hiphop, ook flamenco, capoeira – desnoods een draaiorgel. Als het maar leeft.”
En als het écht is. Want streetculture ontstaat niet omdat iemand een plan schrijft of subsidie aanvraagt, maar omdat mensen hun eigen ruimte maken. “Niet omdat ze worden uitgenodigd, maar omdat ze niet langer wachten. Als je het niet kunt huren, bouw je het. Als je er niet tussen past, begin je zelf iets.”
Die urgentie maakt de beweging krachtig, maar ook kwetsbaar. Want zolang streetculture slechts zichtbaar mag zijn binnen tijdelijke projecten of festivals, blijft het hangen in de marge. “Wat zichtbaar is, moet ook gedragen worden”, zegt Rajiv. “Zonder wortels verdampt het.” Hij doelt op oefenruimtes die blijven. Op legale muren die geen uitzondering zijn. Op beleid dat de straat niet als overlast ziet, maar als bron van talent, expressie en verbinding. “Streetculture is geen afgeleide. Het ís cultuur. Met eigen normen, waarden, ondernemerschap en educatie. Alles is er al – we herkennen het alleen pas als het op een podium staat.”
Juist in de ongepolijste realiteit schuilt de magie. “Een theater is een black box, daar kun je alles regisseren. Maar de straat is de straat. Daar gebeurt het echt. Een opa die in gesprek raakt met een spoken word-artiest. Een rapper die optrekt met een huismoeder. Soms rommelig, vaak magisch.”
En die magie is allesbehalve vrijblijvend. De mensen die deze cultuur dragen – de OG’s, zoals Rajiv ze noemt – leiden op, bouwen communities, jureren, geven les. “Ze zijn rolmodellen. Maar omdat het niet uit een beleidskantoor komt, noemen we het geen infrastructuur.”
In de wereld van streetculture telt geen cv, maar energie. Je wordt niet beoordeeld op opleiding of afkomst, maar op expressie. “Of je nou met of zonder benen danst, met hoodie of hijab – het gaat erom hoe echt je bent.”
Voor Rajiv is het duidelijk: als je een stad wilt bouwen die klopt, moet je beginnen bij de mensen die er al leven. “Je kunt geen wijk ontwikkelen zonder de cultuur van de straat te begrijpen. Als je wil dat een stad leeft, moet je weten wat haar hart laat kloppen. En dat klopt op straat.”
De erkenning groeit. Sinds kort is de Rotterdam Street Culture Week opgenomen in het Cultuurplan van de stad. Vier jaar structurele steun. Een mijlpaal, noemt Rajiv het. “De stad neemt het eindelijk serieus. Er is aandacht, respect, investeringsbereidheid. Breakdance wordt Olympisch. Er is beweging.”
Toch blijft hij waakzaam. Want met succes komt ook het risico van verdunning. “We moeten oppassen dat we niet alleen de verpakking omarmen. Dat we streetculture op een podium zetten, er mooie woorden aan hangen en denken: kijk ons eens inclusief zijn – terwijl de mensen die het dragen nergens aanschuiven.”
Streetculture is geen jongerenhoekje. Geen tijdelijke kleur aan de rand. Het is de stad. “Het groeit op beton. Het leeft op de stoep. Dáár gebeurt het.” Hij kijkt naar buiten. “Ik wil geen stad waar mensen ‘mee mogen doen’”, besluit hij dan. “Ik wil een stad die van iedereen ís. Waar je niet hoeft te knokken voor bestaansrecht. Waar je gewoon mag zijn wie je bent. Dat klinkt misschien groot maar het is zo concreet. Als jij je gezien voelt, wordt de stad beter. Als jij groeit, groei ik ook. Dat is geen idealisme. Dat ís samenleven.”
tekst
fotografie
Misschien vind je dit ook leuk